Tumoren van maag en slokdarm
Frequentie en risicofactoren
Kankers van de maag en slokdarm blijven relatief zeldzaam in vergelijking met die aan de colon (dikke darm) en het rectum. Bij slokdarmkankers kan men twee soorten onderscheiden. De eerste, epidermoïde carcinoom genaamd, hangt samen met alcohol- en tabakgebruik. De tweede, adenocarcinoom genaamd, is een zeldzame complicatie van reflux (terugvloeiing) uit de maag en slokdarm.
Het verschil tussen deze twee soorten kanker ligt onder meer in de locatie. Het epidermoïde carcinoom is meestal te vinden in het bovenste en middelste deel van de slokdarm, terwijl het adenocarcinoom altijd in het laagste deel voorkomt. Het formele antwoord wordt echter pas gegeven na microscopisch onderzoek van weefselfragmenten die bij een endoscopie werden afgenomen.
Maagkanker komt tegenwoordig minder voor dan in het verleden. Een verklaring daarvoor is misschien dat hardnekkige maagzweren minder voorkomen, die vormen namelijk de grootste risicofactor. Men beschikt tegenwoordig over doeltreffende behandelingen om de bacterie Helicobacter pylori, de voornaamste oorzaak van maagzweren, uit te schakelen. Door deze kiem uit de maag te laten verdwijnenv kan men vermijden dat maagzweren chronisch worden en tot kanker degenereren. Deze bacterie komt echter zeer frequent voor maar dat wil niet zeggen dat dragers ervan door maagkanker zullen worden getroffen.
Symptomen
Een gevoel van een blokkering ter hoogte van de slokdarm, disfagie (slikstoornis) genaamd, is een waarschuwingssignaal dat een endoscopisch onderzoek noodzakelijk maakt. Maagkanker veroorzaakt geen typische symptomen en blijft in de beginfasen dus vaak onopgemerkt. Andere, veel minder specifieke tekenen zoals bloedarmoede, onverklaarbaar gewichtverlies en een aanhoudend gebrek aan eetlust kunnen soms op de aanwezigheid van deze kanker wijzen.
Diagnostiek
Er worden vaak andere beeldvormingsonderzoeken uitgevoerd zoals de CT scan met gewone radiologie en een PET-scan in de nucleaire geneeskunde, om de omvang van de slokdarmkanker te bestuderen. Klik hier voor meer informatie over dit laatste onderzoek.
Behandeling

Aan bepaalde patiënten voor wie de operatie te verminkend zou zijn of die te zwak zijn om een operatie te ondergaan waardoor de risico’s te groot zouden worden, wordt een combinatie van radiotherapie en chemotherapie voorgesteld die zeer bevredigende resultaten geeft. Deze twee behandelingen worden ambulant gegeven, de radiotherapie in 5 of 6 weken en de chemotherapie in 4 cycli van elk 3 of 4 weken.
De curietherapie, een soort radiotherapie, wordt toegepast op personen die niet met een klassieke externe radiotherapie kunnen worden behandeld. Bij deze methode gebruikt men een metalen draad van radioactief iridium dat op korte afstand werkt (2 tot 3 cm) en dat het mogelijk maakt om de kankertumor in de slokdarm te doen verdwijnen. Deze procedure is niet zo efficiënt als externe radiotherapie maar duurt minder lang en geeft minder bijwerkingen. Ze wordt vaak gebruikt als men veel moeite met slikken heeft (disfagie) omdat de tumor de slokdarm blokkeert. Een alternatief in geval van blokkering is de plaatsing van een slokdarmprothese (er wordt een buisje in de slokdarm geschoven) zodat voeding via de mond mogelijk blijft. Curietherapie wordt overigens vaak gecombineerd met een prothese om de patiënt van de blokkering te verlossen.
Als de kanker organen elders in het lichaam bereikt, als hij met andere woorden uitgezaaid is, kan alleen chemotherapie bepaalde voordelen opleveren.
De verzorging van patiënten vereist de samenwerking tussen medische oncologen, radiotherapeuten, chirurgen, anatoom-pathologen en gastro-enterologen, die elke week samenkomen om voor elke patiënt afzonderlijk de best mogelijke beslissingen te nemen.

